In België verdwijnen vanaf 2027 rookruimtes in horeca en openbare gebouwen. Alleen woonzorgcentra vormen een omstreden uitzondering, in Vlaanderen zelfs met plicht.

De federale regering voert stap voor stap een veel strenger rookbeleid in. Een centraal onderdeel daarvan is het verbod op rookruimtes en rookkamers in publieke gebouwen, bedrijven, horeca en luchthavens vanaf 1 januari 2027. Wat ooit als “compromis” werd gezien om rokers apart te zetten, wordt nu expliciet afgebouwd: roken moet uit het binnenbeeld verdwijnen, ook als het achter een deur gebeurt. De maatregel geldt zowel voor klassieke sigaretten als voor vapen en andere nicotineproducten. Rookruimtes in cafés, bedrijven, stations en luchthavens moeten dus sluiten, en werkgevers mogen geen rookkamers meer aanbieden op de werkvloer. Tegelijk wordt benadrukt dat het niet alleen gaat om gezondheid voor rokers zelf, maar vooral om het beschermen van omstanders en het verder denormaliseren van roken: wie binnen is, hoort geen rook meer tegen te komen, ook niet in een “rookhok”.

In die algemene afbouw steekt één uitzondering scherp af: de woonzorgcentra. Omdat die instellingen als “thuisomgeving” van bewoners worden beschouwd, mogen zij wel nog een rookruimte voorzien. Voor veel bewoners gaat het om mensen die decennialang gerookt hebben en voor wie volledig stoppen op hoge leeftijd moeilijk of onrealistisch is. Beleidsmakers benadrukken dat men hun laatste stukje autonomie niet zomaar wil afnemen. Tegelijk is er in Vlaanderen een bijkomende laag: daar is een aparte rookruimte in woonzorgcentra op dit moment zelfs verplicht, met technische voorwaarden rond ventilatie en veiligheid. Roken op de kamer wordt meestal verboden uit brandveiligheidsoverwegingen, waardoor het rooklokaal de enige formeel toegestane plek is. Dat leidt tot de paradox dat rookruimtes federaal verdwijnen, terwijl Vlaanderen ze tegelijk blijft opleggen in zorginstellingen.

Die dubbelheid zorgt voor toenemende kritiek vanuit het werkveld en de politiek. Directies en personeel van woonzorgcentra geven aan dat rookruimtes vaak weinig gebruikt worden, moeilijk te ventileren zijn en een onevenredige investering vragen voor een krimpende groep rokers. Sommigen zoeken pragmatische oplossingen, zoals een beschut rookplekje buiten op het domein, waar bewoners met jas of extra vest naartoe gaan. Inspectiediensten leggen echter de nadruk op het naleven van de formele verplichting: staat er geen rookkamer binnen het gebouw, dan kan dat tot een negatieve beoordeling leiden, zelfs als er buiten een veilige rookplek is ingericht. Vlaams parlementsleden, onder wie Loes Vandromme, hekelen die tegenstrijdige regels en pleiten ervoor om woonzorgcentra meer vrijheid te geven: laat hen zelf, in samenspraak met bewoners, kiezen voor een passende rookregeling in plaats van een uniforme rookruimteplicht.

Gezondheidsorganisaties juichen het einde van rookruimtes in publieke gebouwen toe als een logische volgende stap in het streven naar een rookvrije samenleving. Zij zien in het verbod een belangrijk signaal dat roken niet langer hoort in publieke binnenruimtes, ook niet “weggestopt” in aparte kamers. Tegelijk wijzen zij op het spanningsveld in de ouderenzorg: hoe combineer je het recht van ouderen om zelf keuzes te maken met de plicht om personeel, bezoekers en medebewoners te beschermen tegen tabaksrook? In de debatten duiken verschillende scenario’s op, van volledig rookvrije woonzorgcentra tot beperkte, goed afgescheiden rookzones buiten. De rode draad in alle berichtgeving is dat de klassieke rookruimte, zoals die in de voorbije decennia is opgebouwd, op zijn laatste benen loopt. Vanaf 2027 verdwijnt ze bijna overal, en in de woonzorgcentra verschuift de discussie van “moeten er rookruimtes zijn” naar “hoe gaan we waardig om met de laatste generatie rokende bewoners”.

Bronnen