Op vrijdag 10 juli 2026 is Alphons Nijpels op 80-jarige leeftijd overleden. Fons was sinds 1988 actief lid, oud-secretaris en -voorzitter, en tevens columnist van Opgelucht.

Fons Nijpels was een markant en gewaardeerd persoon, zowel binnen de vereniging als ook in het publieke debat. Als spreker, maar ook als schrijver, kon hij zijn overwegingen op een overtuigende manier scherp en ludiek neerzetten. Al enkele jaren schreef Fons voor Opgelucht een maandelijkse column, en ook in het blad Metro Nieuws waren zijn stukken te lezen.

Fons was al vanaf 1988 lid en vanaf 1990 ook bestuurslid. Eerst een korte periode als secretaris en vanaf 1991 tot en met 2002 als voorzitter. Fons heeft een groot aantal mijlpalen neergezet voor de vereniging en voor de rookvrije samenleving. Daarvoor zijn wij hem dankbaar.

Als mens was Fons bescheiden en zette hij zichzelf nooit op de voorgrond. Zijn familie was in het begin nauwelijks op de hoogte van zijn werk voor Clean Air Nederland en de credits die hij verdiende, richtte hij altijd naar de vereniging. Het laatste jaar was Fons helaas ziek. Omdat hij hier niet over sprak, kwam zijn overlijden als een onverwachte schok tot ons.

Op het 50-jarig jubileum van Clean Air Nederland in Cultuur- en Congrescentrum Antropia te Driebergen op zaterdag 25 mei 2024 heeft Fons als spreker een deel van onze historie op zijn ludieke manier verteld. Hieronder zijn verhaal; het toont ook de menselijke, maar ook doelgerichte en scherpe aanpak die Fons voorstond.

 

VIJFTIG JAAR INZET VOOR EEN ROOKVRIJE SAMENLEVING

Fons Nijpels over de geschiedenis van CAN
Uitgesproken ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van Clean Air Nederland.

Goedemiddag allemaal. Ik zie veel nieuwe gezichten en dat is prettig. Het bewijst dat onze vereniging nog steeds levendig en actueel is. Allereerst wil ik Tom van harte feliciteren met zijn onderscheiding. Die heeft hij dubbel en dwars verdiend. Ik weet maar al te goed hoe zwaar en allesomvattend het is om jarenlang voorzitter van deze vereniging te zijn. Het houdt je voortdurend bezig, soms zelfs uit je slaap. Je hebt altijd het gevoel dat je tekortschiet en dat er nog dingen moeten gebeuren waaraan je niet bent toegekomen. Deze onderscheiding is niet alleen persoonlijk verdiend, maar betekent ook erkenning voor onze vereniging. Ze laat zien dat ons werk door de samenleving wordt gezien en gewaardeerd.

Toen ik in 2002 zelf een onderscheiding kreeg, beleefde ik veel genoegen aan de zure reacties van onder meer de tabaksindustrie en andere tegenstanders. Hun verontwaardiging maakte voor mij duidelijk dat ons werk effect had. Daarom zeg ik tegen Tom: welkom bij de club.

Zelf kwam ik eind jaren tachtig, waarschijnlijk in 1988, met de vereniging in aanraking. Daarvoor had ik er nog nooit van gehoord. Paul Schepel trad op in het televisieprogramma Het Capitool en zijn verhaal sprak mij onmiddellijk aan. Ik was toen al ruim tien jaar gestopt met roken. Ik heb vroeger zelf gerookt en weet precies wat nicotineverslaving inhoudt en hoe moeilijk het is om ervan af te komen. Het heeft mij jaren gekost. Ook in mijn werkomgeving had ik voortdurend moeten strijden tegen de overlast van tabaksrook. Toen de vereniging op mijn pad kwam, paste dat daarom precies bij mij. Paul Schepel was op zondag op televisie en op maandag meldde ik mij aan als lid. Ik ging vergaderingen bezoeken en zoals dat in het verenigingsleven vaak gaat, zit je al snel in het bestuur zodra je je actief opstelt.

Wim Kramers was destijds voorzitter. Ik werd eerst secretaris en trad daarnaast min of meer als woordvoerder op. Nadat een latere voorzitter na enkele jaren stopte, werd ik in 1991 zelf voorzitter. Ik was zeer actief en sterk betrokken; het werk kostte dagelijks vele uren.

De samenleving van rond 1990 was volledig doordrongen van tabaksrook. Je kon nauwelijks ergens komen zonder met rook, overlast, schade en vuiligheid te worden geconfronteerd. In vliegtuigen, treinen, vergaderingen en horecagelegenheden werd volop gerookt. Zelfs in niet-rokencoupés van treinen staken mensen rustig een sigaret op, omdat zij iedere beperking als een aantasting van hun vrijheid zagen. We beseffen tegenwoordig nauwelijks meer hoeveel vooruitgang er sindsdien is geboekt. Een van onze leden kwam al in de jaren zeventig daadwerkelijk in verzet en trok in de trein zelfs aan de noodrem. Daarmee was hij een van onze eerste echte actievoerders.

Een van de eerste zaken die ik als bestuurslid oppakte, was het herstellen van de relatie met Stivoro. Door persoonlijke tegenstellingen was die samenwerking verwaterd. We hadden soms het gevoel dat we in elkaars vaarwater zaten, terwijl het veel verstandiger was elkaar te versterken en aan te vullen. Dat lukte vrij snel. De voorzitter, Roch de Jong, was niet de gemakkelijkste man om mee om te gaan. Ik ging voor hem niet in de houding staan, maar zijn militaire achtergrond was merkbaar. Uiteindelijk hebben we hem nog blij gekregen en daarna hebben we heel goed samengewerkt. Die goede samenwerking is voortgezet. Dat Stivoro later door minister Schippers de nek werd omgedraaid, vind ik nog steeds kwalijk.

In de jaren negentig waren wij een actieve actievereniging. Die tijd vroeg om zichtbare en soms harde acties. We moesten via de publiciteit duidelijk maken dat we genoeg hadden van de alomtegenwoordige tabaksrook en de invloed van de tabaksindustrie. Een voorbeeld was een tentoonstelling in het Tropenmuseum in Amsterdam over de koloniale geschiedenis van de tabakshandel. De tabaksindustrie had op de achtergrond invloed en tabak werd vooral als iets voordeligs voorgesteld. Een instelling als het Tropenmuseum had zich daarvoor laten gebruiken. De tentoonstelling was fraai uitgevoerd, maar de boodschap was duidelijk: van tabak moet je afblijven.

Op een zondag verzamelden we ons met een groep van ongeveer vijftig mensen voor het museum. We richtten een groot houten kruis op, legden er een krans bij en hielden als protest een soort dodenherdenking. De demonstratie was niet vooraf aangekondigd, maar de media waren wel geïnformeerd. De directeur van het museum kwam naar buiten en nodigde ons uit voor een gesprek. Daardoor konden we de actie redelijk prettig afsluiten, maar onze boodschap was ondubbelzinnig: wij wilden geen tabakspropaganda in een publieke instelling.

Ook demonstreerden we bij een grote vakbeurs van de tabaksindustrie in de RAI in Amsterdam. Daar kwamen duizenden mensen uit de industrie en de detailhandel bijeen om de nieuwste producten, verkoopmethoden en reclametechnieken te bekijken. Daarmee werd de indruk gewekt dat tabak een normaal consumentenproduct was, terwijl de schadelijkheid toen al lang bekend was. Met ongeveer vijftig mensen liepen we vanaf station Amsterdam Zuid met spandoeken naar de RAI. Ook deze actie was niet aangekondigd. Ik liep vooraan en zag de paniek bij de beveiligers toen zij ons zagen aankomen. We waren helemaal niet van plan naar binnen te gaan; we wilden alleen op het plein demonstreren. Toch was het goed dat de organisatie voelde dat er tegenwind bestond.

We traden ook op tegen tabaksreclame. De reclame was nog niet volledig verboden en de bestaande regels werden vaak overtreden. Zo mochten tabaksfabrikanten geen gratis sigaretten op straat uitdelen, maar dat gebeurde toch. Ons actieve lid Willem Kruithof diende voortdurend klachten in bij de Reclame Code Commissie. Zo'n procedure kostte ons destijds slechts vijftig gulden, terwijl de tabaksindustrie dure advocaten moest inschakelen. Willem won veel zaken. Daarmee joeg hij de industrie niet alleen op kosten, maar maakte hij ook duidelijk dat zij in de gaten werd gehouden.

Daarnaast stonden we met informatiekramen op beurzen, popconcerten en andere evenementen. Vooral jongeren waren een belangrijke doelgroep. We wilden hun laten zien dat een rookvrij leven mogelijk was. We stonden soms de hele dag in regen, wind en storm folders en actiemateriaal uit te delen. Dat deden we onder meer in Den Haag, Tilburg, Assen en tal van andere plaatsen. Het kostte veel tijd, maar leverde ook nieuwe leden op.

De media waren voor ons eveneens belangrijk. Ik trad op in verschillende radio- en televisieprogramma's, onder meer bij Sonja Barend en Astrid Joosten. Bij een uitzending met Astrid Joosten werd via een enquête onderzocht wie in de zaal het meest tolerant was. Tot mijn eigen verbazing kwam ik als meest tolerante deelnemer uit de bus, terwijl niet-rokers voortdurend het verwijt kregen dat juist zij intolerant waren. Miljoenen mensen zagen die uitzending, dus dat voelde als een overwinning.

Met Theo van Gogh voerden we doorlopend discussie, omdat hij in zijn programma's roken promootte en zich verzette tegen iedere beperkende maatregel. Wij spraken hem en de omroepen daarop aan. Uiteindelijk werd roken tijdens televisieprogramma's steeds verder aan banden gelegd. Soms voerden we tijdens uitzendingen zelf actie. Bij een liveprogramma van Hanneke Groenteman namen ongeveer tien van ons ongemerkt gasmaskers mee. Zodra de uitzending bezig was, zetten we die allemaal op. De regie deed zichtbaar moeite om ons buiten beeld te houden, maar dat lukte niet volledig. Zonder één woord te zeggen maakten we duidelijk wat ons probleem was.

Bij een ander liveprogramma, volgens mij van Sonja Barend, gebeurde iets vergelijkbaars. Wanneer een gast tijdens een interview wilde roken, werd gewoon een asbak aangereikt. We meldden ons met een groep aan als publiek zonder onze plannen bekend te maken. Zodra iemand aan tafel een sigaret opstak, stonden we collectief op en verlieten we de zaal. Een liveprogramma zat plotseling met tien lege stoelen en ook het applaus viel weg. Sonja vroeg wat er aan de hand was. Ik riep terug dat we niet langer in die stinkende rook wilden zitten. Daar had ze op dat moment geen antwoord op.

We waren ook juridisch actief. Een belangrijke zaak betrof de Erasmus Universiteit Rotterdam. De Tabakswet van 1991 legde overheidsinstellingen al duidelijke verplichtingen op, maar de universiteit deed daar vrijwel niets mee. De rookoverlast was ernstig. We voerden gesprekken, vergaderden en gaven aanwijzingen, maar na ongeveer een jaar was de maat vol. We stapten naar de rechter en oud-voorzitter Paul Schepel won de zaak overtuigend. De universiteit nam daarna maatregelen, al bleef goede naleving een probleem.

In dezelfde periode begonnen we met een eigen actiekrant. Daarmee veranderden we een intern ledenblad in een blad waarmee we ons bestaan en onze standpunten naar buiten brachten. Wie de oude jaargangen nu terugleest, ziet hoe actueel de onderwerpen toen al waren. We besteedden bijvoorbeeld veel aandacht aan de relatie tussen tabak en het milieu, lang voordat dit thema algemeen bekend werd. Actieve leden organiseerden er zelfs een congres over. Met hulp van vrijwilligers en in samenwerking met het toenmalige Astma Fonds, het huidige Longfonds, werd de krant verspreid in buurtcentra, treinen en op allerlei andere plaatsen. De krant was jarenlang zowel een bindmiddel voor de vereniging als een belangrijk actiemiddel.

Een van de grootste juridische successen was de zaak van Nannie Nooyen, een postsorteerder uit Breda. Zij werkte op één vaste plaats en werd voortdurend blootgesteld aan de rook van collega's. Omdat PTT geen staatsbedrijf meer was, viel haar werkplek niet rechtstreeks onder de toenmalige regels voor overheidsinstellingen. Nannie vroeg onze steun voor een procedure die was gebaseerd op het grondrecht op schone lucht. Als kleine vereniging durfden wij het financiële risico aanvankelijk niet aan, maar met steun van het Astma Fonds kwam de rechtszaak er toch.

De rechter in Breda sprak fundamenteel recht en bevestigde het recht op schone lucht op de werkplek. PTT ging niet in hoger beroep en moest de betreffende werkplek, en vervolgens de organisatie, rookvrij maken. De uitspraak vormde voor minister Borst een belangrijk fundament om het recht op een rookvrije werkplek wettelijk vast te leggen. Dat was een harde overwinning. Zij was te danken aan de kracht en volharding van Nannie Nooyen, die daarvoor waarschijnlijk veel spanning, slapeloze nachten en tegenwerking op haar werk heeft moeten doorstaan. Haar zaak heeft de rookvrije werkplek werkelijk op de kaart gezet en vormde de basis voor veel latere ontwikkelingen.

Een andere grote rel ontstond rond CDA-fractievoorzitter Enneüs Heerma. Hoewel roken in de Tweede Kamer als overheidsgebouw verboden was, liep hij daar rustig met een dikke sigaar rond. Een fractievoorzitter van een grote partij overtrad in zijn eigen gebouw de regels die de politiek zelf had vastgesteld. Toch durfde bijna niemand hem daarop aan te spreken. Toen hij op relatief jonge leeftijd aan longkanker overleed, werd dat breed betreurd, maar vrijwel niemand durfde publiekelijk het verband met zijn intensieve tabaksgebruik te benoemen.

Ik stuurde een persbericht uit waarin ik aangaf dat ik hem niets wilde najagen, maar dat wel eerlijk gezegd moest worden dat hij aan de gevolgen van tabaksgebruik was overleden. Daarop ontving ik honderd tot tweehonderd e-mails waarin ik werd uitgescholden en naar de hel werd gewenst. Het leek op de zwijgcultuur die vroeger rond kanker bestond. Juist door niet openlijk te spreken over het verband tussen roken en kanker, hartziekten en andere aandoeningen, wordt de ernst van tabaksgebruik miskend. We moeten wetenschappelijk vastgestelde feiten eerlijk durven benoemen.

Het grootste hoogtepunt uit mijn voorzittersperiode was voor mij het 25-jarig jubileum. Er bestond toen nog een Europese vereniging van niet-rokers en wij waren aan de beurt om de jaarlijkse bijeenkomst te organiseren. Die lieten we samenvallen met ons eigen jubileum. Via allerlei contacten konden we de bovenverdieping van het World Trade Center in Rotterdam gebruiken. Minister Borst kwam ons feliciteren en reikte prijzen uit. In haar toespraak sprak zij de hoop uit dat een opvolger ons 25 jaar later niet opnieuw met ons 50-jarig bestaan zou hoeven feliciteren. Nu zitten we hier toch. Het affront is daar: het probleem is nog niet verdwenen en onze vereniging is nog altijd hard nodig.

De strijd is bovendien veranderd. Het gaat niet meer alleen om sigaretten. De industrie brengt voortdurend nieuwe nicotineproducten op de markt en probeert daarmee opnieuw toegang te krijgen tot consumenten, in het bijzonder tot jongeren. Denk aan vapes, nicotinezakjes en andere kleurrijk vormgegeven producten. De politiek heeft onvoldoende geleerd van de geschiedenis van de sigaret en grijpt opnieuw niet direct in. De industrie presenteerde de e-sigaret aanvankelijk als hulpmiddel om te stoppen, maar jongeren raken er juist mee aan nicotine verslaafd. De felle kleuren en smaken laten zien hoe nadrukkelijk kinderen en jongeren worden benaderd. Daarom zijn we nog lang niet klaar.

Tijdens het jubileum in Rotterdam waren vertegenwoordigers van de Europese vereniging en veel bestuursleden aanwezig. Er werden verschillende prijzen uitgereikt, onder meer aan bokser Regilio Tuur, die zich destijds op het gebied van roken positief had opgesteld. Het jubileum duurde drie dagen en omvatte ook een groot ledenfeest in het Prinsestheater. Vooraf moest ik langdurig met de directie onderhandelen om het hele theater rookvrij te krijgen. Wij kochten honderd plaatsen, maar er kwamen ongeveer driehonderd bezoekers. Ook voor de overige tweehonderd gasten moest de zaal rookvrij blijven. Dat het Prinsestheater zich in de jaren negentig voor een hele avond rookvrij verklaarde, was op zichzelf al een overwinning.

Begin 2002 nam ik afscheid. Net als Tom nu werd ik bij die gelegenheid met een lintje onderscheiden. Dat was niet alleen een persoonlijke beloning, maar vooral een erkenning van de vereniging en van al het werk dat wij gezamenlijk hadden verricht. Dat onze tegenstanders ons die erkenning niet gunden en daar zo negatief op reageerden, maakte haar voor mij alleen maar betekenisvoller. Ik ben iedereen dankbaar die in die jaren naast mij stond, acties organiseerde en zich in zijn eigen woonplaats onvermoeibaar voor een rookvrije samenleving inzette. Zonder al die mensen had de vereniging niet kunnen bereiken wat zij heeft bereikt.

0
Deel via