Artsen waarschuwen dat minderjarigen nog steeds eenvoudig vapes kopen. Zij eisen strengere handhaving, minder verkooppunten en een vergunningstelsel.

De nieuwe golf aan berichtgeving laat zien dat de zorgen over vapen onder jongeren in Nederland een volgende fase zijn ingegaan. Het gaat niet meer alleen over voorlichting, smaakjes of incidentele overtredingen, maar over een structureel probleem waarbij kinderen ondanks bestaande verboden nog altijd betrekkelijk eenvoudig aan nicotineproducten komen. Artsen trekken daarom gezamenlijk aan de noodrem. Hun boodschap is dat de praktijk haaks staat op het beleid: op papier zijn jongeren beschermd, maar in de werkelijkheid blijken winkels, avondzaken, tankstations en tabaksspeciaalzaken nog steeds een toegankelijke route naar verslaving.

Wat de oproep extra urgent maakt, is dat artsen de gevolgen niet abstract beschrijven, maar dagelijks in hun spreekkamers terugzien. Huisartsen, kinderartsen en longartsen melden dat zij steeds jongere patiënten zien met klachten die samenhangen met nicotinegebruik. Daarbij gaat het niet alleen om hoesten of benauwdheid, maar ook om concentratieproblemen, mentale klachten, conditieverlies en signalen van stevige afhankelijkheid. Sommige verhalen zijn ronduit ontluisterend: kinderen van tien of elf jaar, jongeren die ’s nachts wakker worden om te vapen, en scholieren die zelf aangeven dat het kopen van vapes nauwelijks moeite kost. Daarmee verschuift het debat van leefstijlkeuze naar falende bescherming van minderjarigen.

De rode draad in de artikelen is dat handhaving tekortschiet. Dat een kwart van de gecontroleerde winkels nog steeds nicotineproducten aan minderjarigen verkoopt, wordt door artsen gezien als bewijs dat de huidige aanpak niet werkt. Boetes alleen zijn kennelijk onvoldoende om overtredingen te stoppen. Daarom pleiten zij voor een vergunningstelsel, zodat verkooppunten niet automatisch tabak en vapes mogen verkopen, maar daartoe eerst toestemming moeten krijgen en die ook weer kunnen verliezen. Zo’n stelsel moet het bovendien mogelijk maken om het aantal verkooppunten terug te dringen en verkoop in de buurt van scholen aan banden te leggen.

Tegelijk klinkt in meerdere publicaties door dat dit probleem groter is dan alleen illegale verkoop aan jongeren. Er groeit een bredere kritiek op de manier waarop nicotineproducten in de samenleving beschikbaar en zichtbaar zijn gebleven. Waar ouders, scholen en artsen proberen schade te beperken, blijft de commerciële infrastructuur overeind en zelfs uitbreiden. Daardoor voelen artsen zich alsof zij symptomen bestrijden, terwijl de aanvoer open blijft staan. Hun gezamenlijke alarmkreet is dan ook niet vooral symbolisch, maar gericht op concreet overheidsingrijpen: strengere controles, zwaardere sancties, minder verkooppunten en eindelijk een systeem waarin de bescherming van kinderen zwaarder weegt dan de verkoopvrijheid van nicotinehandelaren.

Bronnen