Nieuw onderzoek wijst op een genvariant die samenhangt met minder roken. Dat opent een nieuw spoor voor behandeling van nicotineverslaving.

De hoeveelheid die iemand rookt, blijkt niet alleen samen te hangen met gewoonte, omgeving en verslavingsgedrag, maar mogelijk ook met kleine verschillen in het DNA. Onderzoekers zagen dat sommige rokers een zeldzame variant dragen van het gen CHRNB3, dat betrokken is bij de opbouw van nicotinereceptoren in de hersenen. Juist die receptoren spelen een centrale rol in de manier waarop nicotine het beloningssysteem activeert.

De studie laat zien dat dragers van zo’n variant gemiddeld minder sigaretten per dag roken dan mensen zonder die variant. In de onderzochte groepen liep dat verschil flink op. Daarmee groeit het inzicht dat nicotine niet op ieder brein even sterk inwerkt en dat biologische gevoeligheid voor verslaving van persoon tot persoon kan verschillen.

Het onderzoek is opvallend omdat het niet bleef steken bij één bevolkingsgroep. De eerste bevindingen kwamen uit een grote groep rokers in Mexico en werden daarna opnieuw gezien in gegevens uit het Verenigd Koninkrijk en Japan. Daardoor krijgt het verband meer gewicht: het lijkt niet om een lokaal toeval te gaan, maar om een patroon dat in meerdere populaties terugkomt.

Tegelijkertijd betekent dit niet dat genen het hele verhaal vertellen. Ook wie genetisch minder gevoelig is, kan verslaafd raken, en wie die variant niet heeft, is niet automatisch voorbestemd om zwaar te roken. Rookgedrag blijft het resultaat van een samenspel van aanleg, beschikbaarheid, sociale omgeving, stress, gewoontevorming en eerdere blootstelling aan nicotine.

De grootste betekenis van deze ontdekking zit daarom vooral in de medische richting die zij aanwijst. Als een bepaalde verandering in een nicotinereceptor samenhangt met minder roken, kan dat op termijn aanknopingspunten bieden voor nieuwe behandelingen die de werking van nicotine afzwakken. Dat maakt de studie relevant voor de zoektocht naar betere hulp bij stoppen met roken, al benadrukken onderzoekers dat vervolgonderzoek eerst moet uitwijzen hoe sterk dit effect precies is en hoe veilig zo’n aanpak ooit zou kunnen worden toegepast.

Bronnen