Een nieuw rapport en vervolgonderzoek onthullen hoe tabaksbedrijven als PMI via EU-handelspolitiek proberen om tabakswetten buiten Europa af te zwakken.

De afgelopen weken is duidelijk geworden hoe diep de invloed van de tabaksindustrie binnen de Europese instituties reikt. Op basis van lobbyregisters, vrijgegeven e-mails en interne notities schetsen onderzoekers een beeld van tabaksbedrijven die veel intensiever en directer met Europese ambtenaren schakelen dan tot nu toe zichtbaar was. Vooral Philip Morris International blijkt jarenlang nauw contact te hebben gehad met het handelsdirectoraat van de Europese Commissie. In die contacten vroeg het bedrijf de Commissie expliciet om in het buitenland op te treden tegen nationale maatregelen die de verkoop van tabaks- en nicotineproducten beperken. Het gaat dan niet om detailvragen, maar om structurele pogingen om tabakswetgeving in andere landen te vertragen, te verwateren of terug te draaien.

Uit de vrijgegeven correspondentie komt een terugkerend patroon naar voren. Tabaksbedrijven signaleren in een land plannen voor strengere regels, zoals hogere belastingen, beperkingen voor verhitte tabaksproducten of eisen aan het gebruik van lokale tabak. Vervolgens benaderen zij Europese ambtenaren met het verzoek deze maatregelen als handelsbelemmering te framen. In verschillende gevallen nam de Commissie vervolgens stappen die naadloos aansloten bij de wensen van de industrie: er werden vragen gesteld aan regeringen over hun tabaksbeleid, er doken verwijzingen op naar mogelijke strijdigheid met handelsverdragen, of er werd in officiële documenten gesuggereerd dat bepaalde maatregelen problematisch konden zijn voor de handel. In interne e-mails bedankt de fabrikant de Europese diensten zelfs voor hun “grote hulp”, wat duidelijk maakt dat deze interventies niet als neutrale verduidelijkingen werden gezien, maar als concrete steun aan commerciële belangen.

Het rapport laat ook zien dat dit alles plaatsvindt tegen een achtergrond van een enorme lobbymachine. In Brussel zijn tientallen lobbykantoren, brancheorganisaties en schijnbaar onafhankelijke denktanks actief die direct of indirect door de tabaksindustrie worden gefinancierd. Zij voeren gesprekken met Europarlementariërs, kabinetsmedewerkers en ambtenaren, organiseren evenementen en proberen via het vocabulaire van “harm reduction”, innovatie of vrijhandel hun agenda acceptabel te maken. De officiële lobby-uitgaven lopen in de miljoenen per jaar en het aantal geregistreerde lobbycontacten is slechts het topje van de ijsberg, omdat veel ontmoetingen en communicatiekanalen niet of onvolledig worden gemeld. Tegelijkertijd geldt in het internationale gezondheidsverdrag voor tabaksontmoediging juist dat overheden hun contacten met de tabaksindustrie tot een absoluut minimum moeten beperken en volledig transparant moeten zijn.

Antirookorganisaties en juristen stellen daarom dat de Europese instellingen hun eigen verplichtingen onder dat verdrag onvoldoende naleven. Door actief mee te denken met bedrijfsstrategieën en de eigen handelsmacht beschikbaar te stellen als drukmiddel richting derde landen, ondermijnt de EU volgens hen haar geloofwaardigheid als voorloper in tabaksontmoediging. Vooral lage- en middeninkomenslanden worden geraakt: precies de landen waar de industrie op zoek is naar nieuwe markten, en waar de asymmetrie in economische macht het makkelijk maakt om via handelsargumenten gezondheidsbeleid te blokkeren. Europarlementariërs reageren geschokt en benadrukken dat de Commissie nooit de belangen van de tabaksindustrie mag vertegenwoordigen, laat staan andere landen onder druk mag zetten om hun tabaksbeleid te verzwakken. De onthullingen voeden de roep om een harde scheiding tussen volksgezondheidsbeleid en commercieel lobbywerk van tabaksbedrijven, met strengere regels, volledige openbaarmaking van alle contacten en een duidelijke keuze om de bescherming van gezondheid boven handelsbelangen te plaatsen.

Bronnen