Tabaksaccijns: bedragen op EMU-basis x mln.

De tabaksindustrie roept dat de staat 2,6 miljard misloopt; onafhankelijke analyses tonen een veel lager bedrag en andere prioriteiten.

Belangenorganisaties als TabakNee en Clean Air Nederland pluizen de industrie-cijfers uit en komen tot de conclusie dat het bedrag van 2,6 miljard vooral een lobbyframe is. Ze wijzen erop dat de tabaksindustrie zelf de uitgangspunten levert: aannames over totale consumptie, schattingen van smokkel en buitenlandse aankopen en een fictief scenario waarin álle in Nederland gerookte tabak ook in Nederland zou worden aangeschaft. In werkelijkheid rekent de Miljoenennota op ongeveer 3,3 à 3,4 miljard aan tabaksaccijns, terwijl de werkelijke opbrengst rond 2,5 à 2,6 miljard uitkomt. Dat betekent een tegenvaller van grofweg 800 à 900 miljoen, geen “verlies” van 2,6 miljard. De miljarden waar VSK mee schermt, hebben nooit als realistisch begrotingsdoel op tafel gelegen.

Daar komt bij dat de industrie alleen naar belastingopbrengsten kijkt, niet naar gezondheidswinst en zorgkosten. Onafhankelijke analyses benadrukken dat hogere accijnzen een van de meest effectieve maatregelen zijn om roken terug te dringen, zeker op langere termijn en in combinatie met andere maatregelen zoals rookvrije omgevingen en marketingverboden. Dat een deel van de rokers uitwijkt naar Duitsland of België is reëel, maar verandert niets aan het feit dat minder roken en eerder stoppen enorme gezondheids- en maatschappelijke baten oplevert. Vanuit volksgezondheidsperspectief is een iets lagere accijnsopbrengst geen probleem maar simpelweg de prijs van succes.

Het debat verschuift daardoor van de vraag “hoeveel loopt de schatkist mis?” naar “hoe zorgen we dat accijnsverhogingen maximaal bijdragen aan minder roken en minder tabakstoerisme?”. Het RIVM en andere onderzoekers wijzen op mogelijke oplossingen: betere handhaving op illegale handel, strengere limieten en controles op de hoeveelheid tabak die reizigers mogen meenemen en, vooral, Europese afstemming van tabaksaccijnzen, zodat prijsverschillen kleiner worden. Zolang de tabak in de buurlanden aanzienlijk goedkoper blijft, blijven rokers prikkels houden om over de grens te kopen. Maar dat is een reden om het beleid Europees aan te scherpen, niet om de accijnzen in Nederland weer te verlagen.

Samengevat: er is wel degelijk sprake van gemiste accijns, maar de orde van grootte die de tabaksindustrie rondstrooit is sterk overdreven en vooral bedoeld om twijfel te zaaien over effectief antirookbeleid. De werkelijke cijfers laten zien dat de combinatie van hogere accijnzen, rookvrije maatregelen en betere handhaving de rookprevalentie drukt. De kernvraag is daarom niet hoeveel geld de staat “te weinig” krijgt, maar hoeveel ziekte, sterfte en maatschappelijke schade door roken we voorkomen – en welke rol prijsbeleid daarin hoort te spelen.

Bronnen