Frans van de Zande (96 jaar) is al ruim 52 jaar actief lid van Clean Air Nederland. Tijd voor een greep uit zijn inzet en activiteiten voor de rookvrije samenleving.
Een lidmaatschap van meer dan 50 jaar is best een bijzonderheid. Dat geldt niet alleen voor Frans van de Zande, maar ook voor enkele tientallen andere leden die al zo lang onze vereniging steunen.
We vonden Frans bereid om zijn betrokkenheid vol met sprekende en ludieke acties op papier te zetten. Een verhaal met een herkenbaar 'David en Goliath'-karakter, een verhaal van weerstand en volhouden.
Vanwege de lengte van het verhaal verdelen we dit over meerdere edities van Opgelucht.
Turks fruit
Op 29 juni 1952 ben ik in Epe-Heerde tijdens het zwemmen in het ondiepe gedoken; een dwarslaesie tot gevolg. De eerste dagen was ik geheel verlamd, en werd mij het sacrament der stervenden toegediend. Maar geleidelijk kwam het gevoel in mijn lichaam terug, en moest ik zes maanden in een gipsbed liggen. Na drie maanden in het Sofia-ziekenhuis in Zwolle gelegen te hebben, werd ik in augustus overgebracht naar het militair ziekenhuis Oog in Al te Utrecht.
Het was in september van dat jaar dat ik in het ziekenhuis, door hoofdzuster Brouwer, werd betrapt op het roken van een sigaret. Hoewel ik toen nog niet rookte, brachten bezoekers wel sigaretten mee als presentje en had ik een behoorlijke voorraad aan pakjes sigaretten. Mijn buurman assisteerde mij bij het opsteken van mijn eerste sigaret, omdat ik dit zelf niet kon doen. Hoofdzuster Brouwer was woedend, en ze nam alle sigaretten die ik gekregen had in beslag.
De reactie van mijn moeder, die zelf nooit gerookt had, was dat ze iedereen die bij mij op bezoek kwam, verzocht om in plaats van sigaretten Turks fruit voor me mee te brengen. Turks fruit waren felgekleurde, mierzoete, zachte snoepjes. Ik had ooit verteld dat ik die lekker vond, met als resultaat dat ik een overdaad aan pakjes Turks fruit kreeg, genoeg voor een heel jaar.
Ouders
Op verjaardagen werd mijn moeder altijd uitgelachen omdat ze niet rookte. Haar zwagers en broers noemden haar daarom een schijthuis. Het was overduidelijk dat ze een afkeer van het roken had. Enige tijd na haar overlijden, op 11 november 1969, kreeg mijn vader te horen dat hij longkanker had met een levensverwachting van drie maanden. Het zou nog anderhalf jaar duren voordat hij stierf. Deze intense lijdensweg heb ik van nabij meegemaakt.
Hij was met roken begonnen met een pakje Chief Whip per week, destijds 10 sigaretten per pakje. Later werd dat kettingroken met pakjes sigaretten Golden Wonder en Three Castles. Op zijn ziekbed vroeg hij mij dringend om niet te gaan roken. Hij was ervan overtuigd dat de longkanker te wijten was aan het roken.
Kinderen
In de jaren 1960 tot 1966 heb ik een tijdje gerookt maar nooit van harte. Ik heb het nooit echt lekker gevonden. De sociale druk om te roken was toen enorm. Iedereen presenteerde je een sigaret en als je die afsloeg, werd dat ervaren alsof je een uitgestoken hand weigerde.
Wat ik destijds al heel belangrijk vond, is dat mijn kinderen niet zouden gaan roken, om ze daarmee te behoeden voor die afschuwelijke verslaving. De overal aanwezige tabaksreclame destijds maakte de opvoedende taak wel heel lastig. Het was frustrerend om te beseffen dat de tabaksindustrie beschikte over bijna onbeperkte budgetten, en dat de reclame vooral op kinderen gericht was.
Sociale druk
De sociale druk om te roken was enorm; 90% van de mannen en 42% van de vrouwen rookte in die tijd, en tabak was een product dat alom aanwezig was. De tabaksindustrie verdient met gemak 60% nettowinst bij een omzet van toen al 700 miljard euro wereldwijd. Alle kranten en tijdschriften, op Readers Digest na, maakten reclame voor sigaretten en roken.
Overal werd gerookt: door de leraar voor de klas, in het ziekenhuis, bij de kapper, in het openbaar vervoer, op TV, in de bioscoop, in het vliegtuig, in de horeca, op de werkplek en in alle openbare gebouwen. Op het spreekuur bij de dokter was het normaal om te roken, en ook de dokter rookte veelal zelf. Bij mijn bezoek aan de huisarts, die bruine vingers had van het roken, werd ik er door hem steeds op aangesproken dat het niet zo erg was als ik in krantenartikelen had gesteld.
Media en kritiek
Al voor het overlijden van mijn vader viel het mij op dat kritiek op tabaksreclame en roken in de media niet werd getolereerd. Toen ik hoorde dat 70% van de inkomsten van deze media uit de tabaksreclame kwam, begreep ik waar die weerstand vandaan kwam. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Ook werd duidelijk dat een groot deel van het geld dat aan het roken werd verdiend, werd belegd in media. De film ‘De Insider’ is hiervan een treffend voorbeeld.
In het Brabants Dagblad en ook in meerdere van de 23 bladen van de Persgroep stond de populaire strip Elsje. In deze strip kwam met regelmaat een dokter voor die rookte. Ik was van mening dat dit voor de kinderen toch een (onbewuste) beïnvloeding was. Mijn klacht bij de Reclame Code Commissie was echter tevergeefs.
Ook voor dr. Lenze Meinsma, directeur van het Koningin Wilhelmina Fonds (KWF), was het lastig. Zijn scherpe boodschap in de media was dat roken de belangrijkste oorzaak van kanker is. Hij werd door deze uitspraken in de media sterk bekritiseerd en een stijfkop genoemd. Hij werd ervan beschuldigd dat hij alleen maar wilde bereiken dat er geld voor onderzoek kwam.
In die tijd had dr. Michel de Grood een column in het Nieuwsblad van het Zuiden (NvhZ). Daarin noemde hij dat hij rookte, en ook dat hij gewoon bleef doorroken zolang het niet bewezen was dat nicotine of teer kanker veroorzaakte. Hij deed daar lacherig over. Ik schreef een ingezonden brief naar het NvhZ en refereerde aan een wetenschappelijk onderzoek bij muizen waarin was vastgesteld dat teer kanker kan veroorzaken. Mijn ingezonden brief werd echter niet opgenomen.
Tussen 1960 en 1974 was Radio Veronica een populaire radiozender vanaf een schip op de Noordzee. Door nieuwe wetgeving moest Veronica hiermee stoppen. Er kwam een landelijke actie: ‘Veronica moet blijven’, en in alle landelijke kranten en tijdschriften stonden ingezonden stukken vóór het blijven van Veronica. Omdat Veronica gericht was op jongeren en veel tabaksreclame uitzond, heb ik meerdere brieven ingestuurd met het verzoek dit feit erbij te betrekken. Helaas is mijn ingezonden brief niet geplaatst.
Veel van mijn ingezonden brieven gingen naar het Nieuwsblad van het Zuiden (NvhZ); helaas werden deze zelden geplaatst. In een column van hoofdredacteur Pierre Claessens stelde hij dat de revolutie in Portugal van 1974 alleen kon slagen omdat de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd was. Ik vond dat hypocriet van de hoofdredacteur, omdat mij in dezelfde krant verhinderd werd mijn mening te uiten. Ook ditmaal werd mijn ingezonden brief niet opgenomen.
