Op 29 juni 1952 ben ik, in Epe-Heerde, in het ondiepe gedoken met een dwarslaesie tot gevolg. De eerste dagen was ik geheel verlamd, en werd mij het sacrament der stervenden toegediend, maar geleidelijk kwam het gevoel in mijn lichaam terug, en moest ik zes maanden in een gipsbed liggen.
Na drie maanden in het Sofia-ziekenhuis in Zwolle gelegen te hebben, werd ik in augustus overgebracht naar het militair ziekenhuis Oog in Al te Utrecht.
Het was in september van dat jaar dat ik in het ziekenhuis, door hoofdzuster Brouwer, werd betrapt op het roken van een sigaret. Hoewel ik toen nog niet rookte, brachten bezoekers wel sigaretten mee als presentje en had ik een behoorlijke voorraad aan pakjes sigaretten. Mijn buurman assisteerde mij bij het opsteken van mijn eerste sigaret, omdat ik dit zelf niet kon doen.
Hoofdzuster Brouwer was woedend, en ze nam alle sigaretten die ik gekregen had, in beslag.
De reactie van mijn moeder, die zelf nooit gerookt had, was dat ze iedereen die bij mij op bezoek kwam, verzocht om, in plaats van sigaretten, Turks fruit voor me mee te brengen.
Turks fruit waren felgekleurde, mierzoete, zachte snoepjes. En ik had ooit verteld dat ik die lekker vond. Met als resultaat dat ik een overdaad aan pakjes Turks fruit kreeg. Genoeg voor een heel jaar.
Op verjaardagen werd mijn moeder altijd uitgelachen omdat ze niet rookte. Haar zwagers en broers noemden haar daarom een schijthuis. Het was overduidelijk dat ze een afkeer van het roken had.
Enige tijd na haar overlijden, op 11 november 1969, kreeg mijn vader te horen dat hij longkanker had, met nog een levensverwachting van drie maanden. Het zou nog anderhalf jaar duren voordat hij stierf. Deze lijdensweg heb ik van nabij intens meegemaakt.
Hij was aan het roken begonnen met een pakje van 10 Chief Wip per week. Later werd dat kettingroken, met Golden Wonder en Three Castle.
Op zijn ziekbed vroeg hij mij dringend om niet te gaan roken; hij was ervan overtuigd dat de longkanker te wijten was aan het roken.
In de jaren 1960 tot 1966 heb ik gerookt, maar nooit van harte; ik heb het nooit echt lekker gevonden, maar de druk om te roken was toen enorm; iedereen presenteerde een sigaret; en als je afsloeg, werd dat ervaren alsof je een uitgestoken hand weigerde.
Wat ik vooral wilde, was mijn kinderen van het roken af te houden, om ze daarmee te behoeden voor die afschuwelijke verslaving. En ik vond dat ik daarin zeer gehinderd werd in mijn opvoedende taak, door de reclame.
Het is deze reclame die beschikt over een onbeperkt budget, en vooral op kinderen gericht is.
De sociale druk om te roken was enorm: 90 procent van de mannen en 42 procent van de vrouwen rookte in die tijd, en het was een product dat alom aanwezig was.
De tabaksindustrie verdient met gemak 60% nettowinst bij een omzet van 700 miljard wereldwijd, en er was een onbegrensd budget voor die reclame. Alle kranten en tijdschriften, op Reader's Digest na, droegen naast rookreclame een beleid uit ten gunste van de tabaksindustrie
Overal werd gerookt: door de leraar voor de klas, in het ziekenhuis, het openbaar vervoer, de bioscoop, het vliegtuig, de horeca, op de werkplek, op school en in alle openbare gebouwen.
Op het spreekuur bij de dokter was het normaal om te roken; ook de dokter rookte veelal zelf. Bij mijn bezoek aan de huisarts, die bruine vingers had van het roken, werd ik er steeds op aangesproken dat het niet zo erg was, zoals ik in krantenartikelen had gesteld.
Al voor het overlijden van mijn vader viel het mij op dat kritiek op het roken in de media niet werd getolereerd.
Later werd mij duidelijk dat 70% van de inkomsten van de media uit de tabaksreclame kwam.
Met als gevolg een redactioneel beleid ten gunste van de tabaksindustrie.
Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt, Later werd het mij duidelijk dat het vele geld dat aan het roken wordt verdiend, is belegd in media.
Een voorbeeld hiervan is de strip Elsje, die in het Brabants Dagblad heeft gestaan (en in meerdere bladen van de Persgroep), waartegen ik een klacht heb aangespannen bij de RCC. Ik ben van mening dat de Persgroep, die in meer dan 20 kranten de strip had, hierdoor vele kinderen heeft geïndoctrineerd. In de strip, die in kleur was, kwam met regelmaat een dokter die niet in kleur was en rookte.
Een ander duidelijk voorbeeld hiervan was dat telkens als dr. Meinsma, directeur van het Koningin Wilhelmina Fonds (KWF), in het nieuws was, hij in de media sterk bekritiseerd werd.
Hij werd een stijfkop genoemd, die met zijn verhaal dat roken de belangrijkste oorzaak van kanker was, alleen maar wilde bereiken dat er geld voor onderzoek kwam.
In die tijd had dokter De Grood een column in het Nieuwsblad van het Zuiden (NvhZ), waarin hij stelde dat hij, zolang het niet bewezen was of nicotine of teer nu wel of geen kanker veroorzaakte, gewoon doorbleef roken, en hij deed daar erg lacherig over.
Daarop schreef ik een ingezonden brief naar het NvhZ, waarin ik stelde dat allang in een wetenschappelijk onderzoek was vastgesteld dat teer de oorzaak van kanker was.
In dat onderzoek, waarbij een groot aantal muizen met teer werd ingesmeerd, bleken deze muizen allemaal in korte tijd kanker te ontwikkelen.
Mijn ingezonden brief werd echter niet opgenomen.
Ook mijn tweede ingezonden stuk werd niet geplaatst. Dit betrof Radio Veronica, die in 1974 vanuit de zee uitzond, maar met zijn uitzendingen niet aan land mocht komen.
Er stonden in het Nieuwsblad van het Zuiden achttien ingezonden stukken, van mensen die allemaal eisten dat Veronica moest blijven.
Ook in alle andere landelijke kranten en tijdschriften werd onder de noemer “Veronica moet blijven” in ingezonden stukken geëist dat Veronica aan land moest komen.
In mijn ingezonden brief stelde ik dat in de discussie ook moest worden betrokken dat Veronica zich inliet met tabaksreclame die op kinderen was gericht, en dat dit een belangrijke reden was, om niet toe te staan dat ze aan land zouden uitzenden.
Maar na de achttien ingezonden stukken die allemaal pro Veronica waren, werd plots de discussie gestopt, en werd ook deze brief niet opgenomen.
Ook reageerde ik op een column van de hoofdredacteur, Pierre Claasen, waarin hij stelde dat de revolutie in Portugal, in 1974, alleen kon slagen als de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd was.
Ik vond dat hypocriet van de hoofdredacteur, omdat mij in dezelfde krant werd verhinderd mijn mening te uiten.
Ook ditmaal werd mij belet, mijn mening te uiten, en werd die brief niet opgenomen.
Omdat ik toch mijn mening wilde uitdragen, liet ik twee stickers maken: ROOKRECLAME = KANKERRECLAME, en de andere: ROOKRECLAME IN UW KRANT OF TIJDSCHRIFT GETUIGT VAN MINACHTING VOOR UW GEZONDHEID.
Ik had bij het Nieuwsblad van het Zuiden een advertentiecontract voor mijn slagerij, en ik dacht - door mijn stickers te koop aan te bieden - alsnog mijn mening te kunnen uiten.
Maar dit bleek een misrekening; zelfs tegen betaling lukte dat niet; mijn advertenties werden geweigerd en ik kreeg per omgaande, zonder opgave van reden, mijn advertentiecontract teruggestuurd.
Ondertussen werd mijn wekelijkse biljartavond druk bezocht door redactieleden van het NvhZ. Ook door hoofdredacteur Pierre Claasen.
Naar het mij leek, speelde de discussie over de rookreclame ook op de redactie van het NvhZ.
Toen ik eens voorstelde om een redactievergadering bij te wonen, en dan mijn mening over de rookreclame te geven, zei hij: “Wat wil je, de hele redactie zit hier.”
Bij de vele discussies die ik met hen had, ging ik met enkele redactieleden een weddenschap aan. Ik wedde om 100 gulden dat ze de sticker met de tekst: ROOKRECLAME IN UW KRANT OF TIJDSCHRIFT, GETUIGT VAN MINACHTING VOOR UW GEZONDHEID, niet in de krant zouden krijgen.
Die weddenschap verloor ik: in een rubriek die veel gelezen werd, werd de sticker afgedrukt, met daarbij de opmerking dat met het geld van de weddenschap zeker geen zult bij mij gekocht zou worden.
De reactie van de lezers hierop was dat de zult in korte tijd uitverkocht was.
Een andere reactie kwam van Dr. Meinsma. Hij liet me per brief weten dat hij veel waardering voor mijn stickers had, en vroeg mij om er enige op te sturen. Later bleek dat hij de stickers naar een andere buitenlandse niet-rokersclub heeft doorgestuurd.
De Duitse “Ärzlicher Arbeitskreis Rauchen und Gesundheit” van professor Schmidt heeft de sticker “ROOKRECLAME = KANKERRECLAME” 100.000 maal overgenomen.
Het Vlaamse Niet-Rokersinitiatief van dr. P. Lauwers heeft de sticker eveneens overgenomen, met de Romeinse = en in de rode kleur.
Mij is verteld dat de sticker in meer landen is gebruikt, en daarmee heeft bijgedragen aan het verdwijnen van de rookreclame.
Nadien heb ik, in verschillende ingezonden brieven, de stickers in bladen en tijdschriften gekregen, maar een advertentie werd meestal geweigerd.
Ook heb ik vele brieven verstuurd naar B&W van de gemeente Tilburg, waarin ik hen erop wees dat de tabaksreclame op de abri's inging tegen de wil van veel ouders om hun kinderen rookvrij op te voeden, en ik wees hen erop dat jaarlijks 250 stadgenoten sterven ten gevolge van het roken.
Het beleid stond haaks op de wettelijke taakopdracht om de gezondheid van de inwoners te beschermen
In 1983 heb ik gevraagd om in de actieweek in september van het KWF de ruimtes van de billboards en abri’s als compensatie aan te bieden. Hierop kreeg ik als antwoord dat, gezien de jarenlange goede relatie met Publex, hieraan niet kon worden voldaan.
Een treffend voorbeeld van het beleid in de media is de affaire Veronica. Nooit is de rol van de tabaksindustrie hierbij in beeld gekomen.
Ook heeft de tabaksindustrie aan de gemeente Amsterdam het beeldje van “Het Lieverdje” geschonken.
De bekende anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld hield hier, uitgedost als een vogelverschrikker en omgeven door de rook van zijn sigaretten, zijn “happenings”.
Zijn slogan was: “En 's zondags, begrijp je, rook ik mijn pijpje”. Met de letter K, van kanker, en het uitstoten van onverstaanbare klanken, deed hij zijn bezweringen en vestigde hij het etiket “anti-rookmagiër”.
Als iemand tegen de moordindustrie wilde opstaan, kreeg hij in de media het etiket “anti-rookmagiër en -maniak” opgeplakt.
Dit is ook mij overkomen, wat zeer belastend is voor mijn vrouw en kinderen, en ook voor de zaak.
Want niemand wilde vergeleken worden met iemand die zich als een koekwous gedroeg. En het weerhield de mensen van openlijk verzet tegen het roken.
Later had ik in het huis-aan-huisblad “Stadsnieuws” een artikel waarin ik mijn mening gaf over de rookreclame. Ik heb daarvoor veel bijval gekregen.
In dit artikel stelde ik dat ouders die wilden voorkomen dat hun kinderen aan het roken zouden gaan, bij mij materiaal voor een spreekbeurt konden halen.
Ik had in die tijd een overdaad aan posters, stickers en brochures van Stichting Volksgezondheid en Roken (Stivoro) en de anti-rookorganisatie Clean Air Nederland (CAN), voorradig, voor het verzorgen van beurzen en dergelijke.
Het liep storm, zo zelfs dat een winkelmeisje vroeg: “Wat hebben wij hier eigenlijk? Een slagerij of een voorlichtingscentrum voor niet-rokers?”
Veel positieve, maar ook negatieve reacties kreeg ik op het artikel in het Stadsnieuws.
Ik had onder mijn klanten zes verkopers van tabak; dat werden er vanaf die dag vijf minder. En ook onder mijn normale klantenkring miste ik er verschillende.
De problemen rondom het roken speelden ook in de gezinnen.
Ook werd 's nachts de voor- en zij-etalage van mijn winkel volgesmeerd met zwarte verf, en werd ik hierop uitgemaakt voor fascist.
Mijn dochter kreeg iemand aan de telefoon die dreigde mij in elkaar te slaan; ze was daar erg overstuur van.
Maar ook veel mensen die met CARA waren belast, reageerden.
De problemen die deze mensen in omgevingen waar wordt gerookt ondervinden, waren in die tijd nog zo goed als onbekend; zelfs ik was hiervan niet op de hoogte.
Woorden zoals CARA, longkanker en kanker werden vanwege het redactioneel beleid, ten gunste van de adverteerders, niet gebruikt Het gegeven dat CARA niet zo zichtbaar is als veel andere handicaps, droeg bij aan een isolement van mensen die eraan leden.
Ik had wel gelezen dat er mensen waren die problemen maakten als er op een feestje gerookt werd, en er zo voor zorgden dat het feestje verpest werd.
Nu kreeg ik de andere kant te horen: bijvoorbeeld dat er mensen waren die ervoor zorgden dat ze direct na openingstijd als eerste een winkel bezochten, omdat er dan nog niet gerookt was.
Een ander voorbeeld is de moeder die haar astmatische kind met medicatie naar school stuurde en haar kind dan daarna doodziek uit school terugkreeg, omdat de leraar voor de klas rookte.
Zij durfde er niets van te zeggen, bang dat haar kind er de dupe van zou worden, en ze vroeg aan mij of ik er iets aan kon doen.
Ook werden in veel families de relaties verstoord, omdat aan grootouders of ouders gevraagd werd om niet te roken in het bijzijn van de kinderen, hetgeen dikwijls een ernstige kloof veroorzaakte.
En met spreuken als “Een tevreden roker is geen onruststoker” en “Het is geen man die niet roken kan” werd de niet-roker op een subtiele manier abnormaal gemaakt.
Verder waren er in de media regelmatig artikelen waarin de niet-roker als vervelend en onverdraagzaam afgeschilderd werd.
Het werd mij langzamerhand duidelijk dat mensen belast met een luchtweghandicap ernstig gehinderd werden in het maatschappelijk verkeer.
Zelf kreeg ik te maken met mensen die op een onaangename manier lieten blijken dat ze het niet met me eens waren.
Ze bliezen sigarettenrook in mijn gezicht of keken mij smalend aan, en waarschuwden dat ik het aan mijn hart zou krijgen als ik mij zo druk maakte.
Zelfs waren er mensen die vonden dat ik gek was, waarop ik antwoorde dat er verder weinig op mij aan te merken was.
Ook werd er gevraagd waarom ik mij bemoeide met mensen die CARA hadden: “Jij mankeert zelf toch niets?”.
Korte tijd nadien kreeg ik te horen dat er een vereniging was opgericht: de CAN (Clean Air Nederland); ik ben toen rechtstreeks naar Oss gereden, naar de secretaris, de heer Luierink. En heb me in 1974 als lid aangemeld.
Als lid heb ik veel voor de CAN gedaan, onder meer gezondheidsmarkten en beurzen georganiseerd, waar we veel materiaal hebben verspreid.
Zoals op het Festival Mundial, waar we minstens tien keer gestaan hebben.
Hier hebben wij in de beginjaren 200 kilo aan stickers, posters en ander materiaal verspreid.
We hadden er jaren bij dat we 800 gulden aan vrijwillige bijdragen ontvingen, waaruit veel waardering bleek.
In 1996 bracht het Tilburgs Overleg Gehandicapten (TOG) een brochure uit, waarin aandacht werd gevraagd voor de toegankelijkheid voor gehandicapten.
Hierin werd echter geen woord aan toegankelijkheid voor luchtgehandicapten besteed.
Hiertegen heb ik bezwaar gemaakt, en ben ik, samen met Tonny van Berkel (zelf CARA-patiënte en CAN-lid), lid geworden van het TOG, om de toegankelijkheid voor mensen belast met CARA te bevorderen.
We hadden ook hier de wind niet mee. De beide opeenvolgende directeuren van het TOG rookten.
Een van hen rookte zelfs in het bijzijn van zijn secretaresse die CARA had, en hij duldde hierop geen kritiek.
In de Rotterdamse AHOY-hallen werd in 1981 de landelijk bekende beurs “Nederland-Oké” gehouden, waar veel bekendheid aan gegeven werd.
De bedoeling hiervan was om mensen ertoe te bewegen om gezonder te gaan leven.
Wij hebben toen geprobeerd om die manifestatie rookvrij te krijgen, wat niet gelukt is. De organisatie verwees naar het gemeentebestuur, dat weer terugwees naar de organisatie.
Dit betekende dat op een beurs die de opzet had om mensen ertoe te brengen om gezonder te gaan leven, gewoon gerookt mocht worden.
Na aandringen mochten wij posters ophangen, met het verzoek om a.u.b. niet te roken.
Maar recht tegenover de stands van Stivoro en de CAN stond een stand van de Koninklijke Nederlandse Biljart Bond, waar zonder enige beperking gerookt werd.
Toen ik hier een opmerking over maakte, werd ik uitgelachen; biljarten en roken waren toen nog onafscheidelijk, en commentaar was ongewenst.
Ook heb ik een rookvrije reis georganiseerd naar Stavelot-Coo. We hadden twee bussen vol, meer dan 80 mensen.
In Weert was een koffietafel en in Vaals, op het Drielandenpunt, een driegangendiner.
Voor deze reis, die mij fl. 50,= kostte, rekenden we fl. 59,=, waardoor de onkosten gedekt waren.
Wij zijn vooraf naar Weert, Vaals en Stavelot-Co gereden om te zorgen dat we daar rookvrij konden verkeren.
Twee leden van de CAN, Theo Vterbergen en Cees Klitsie kwamen mij op het laatste moment “helpen”; ze verhoogden het geld om op de mailinglijst te komen voor een volgende reis, tegen mijn zin, met tien gulden. Door onenigheid over de gratis busreis is Cees afgehaakt en heeft Theo de reis overgenomen. Een dame uit Amsterdam die door ziekte de reis niet mee had gemaakt, en die haar geld terug vroeg, kreeg dat niet, terwijl er wel een batig saldo was.
Ik heb de reis nog afgemaakt, maar omdat het mij een geldklopperij leek, heb ik de administratie overgedragen,
Omdat ik niks wilde verdienen aan gehandicapten. Na enkele reizen is de reisclub opgeheven, omdat de prijzen die ze vroegen niet strookten met wat geboden werd.
Ook heb ik een handtekeningenactie tegen de tabaksreclame op abri's op de perrons van de NS georganiseerd.
We hadden meer dan 2300 handtekeningen, maar toen we die aan de NS wilden overhandigen, lieten vier mensen van de CAN op het allerlaatste moment verstek gaan, allemaal met hetzelfde smoesje, namelijk dat een lid van de CAN, Eveline Sandifort, met 1900 handtekeningen ook niets had bereikt; en de statuten het niet toelieten.
Eén bestuurslid, Ian Ulfman, had 2000 handtekeningen, die hij – naar hij zei – heeft opgestuurd naar de NS; maar ik heb daar niets over vernomen, en hem daarna niet meer gezien.
Dit was precies dezelfde reden waarom twee goede bekenden ook niet wilden tekenen. Het bleek af te komen van de aanvoerder van “De Keten van Actieve Niet-Rokers” (KANR).
Zij dicteerde dat de CAN voor de niet-rokers was, en hoofdzakelijk voor de carapatiënten, duldde daarom geen actie tegen de rookreclame en sloot de heer C. Bakker uit Zaandam uit van de KANR, omdat hij tabaksfabrikanten “moordenaars” noemde. Ik heb wel steeds contact met de heer C. Bakker gehouden.
Tot driemaal toe heb ik geprobeerd om de stickers in het CAN-bulletin te koop aan te bieden, telkens zonder effect. Het strookte niet met de statuten van de CAN.
Onder het motto “Vecht mee tegen kanker” had het KWF in september 1997 zijn jaarlijkse actieweek. Precies in die week stonden in de Volkskrant grote geregisseerde rookfoto's van minister Jorritsma en staatssecretaris Schmitz.
Daarop schreef ik een brief aan toenmalig minister-president W. Kok, waarin ik hem erop wees dat ik in de week dat het KWF de oproep, “Vecht mee tegen kanker” deed, twee leden van zijn kabinet, met een rookfoto, in de Volkskrant aantrof.
Dat ze, door zich zodanig in de publiciteit te begeven, het roken promoten – en daarmee de kans op kanker vergroten – en zo het ontmoedigingsbeleid van minister E. Borst ondermijnen.
Ik schreef: “Omdat de rookproblematiek de laatste tijd in uw kabinet en het parlement zoveel aandacht heeft, kan ik dit gedrag niet als een ongeluk zien en vraag ik u daarom beide dames te vragen om aan de Nederlandse Kankerbestrijding hun excuus aan te bieden.
Uit het antwoord van premier Kok bleek dat hij volledig achter het ontmoedigingsbeleid van minister Borst stond.
Maar hij bestreed dat door deze foto’s van beide bewindslieden de zelfredzaamheid van de mensen om niet te gaan roken, door de knieën zou gaan.
En hij repte met geen woord over een excuus aan het KWF. Wel is het zo dat er nadien geen bewindspersoon meer rokend in de media is geweest.
In november 2008 kreeg ik een uitnodiging van de Universiteit Tilburg om met E. Borst in een panel deel te nemen aan een symposium over de implicatie in de wetgeving van de richtlijn 37/2007 van de EU.
De richtlijn houdt in dat iedereen die iets in de EU produceert, aan moet geven welke grondstof erin verwerkt wordt.
Uit milieuoogpunt moet iedereen die iets produceert of verhandelt hieraan voldoen, van slager tot oud-ijzerhandelaar, en zeker een fabrikant die iets produceert dat jaarlijks in Europa 700.000 mensen het leven kost. Nadien is de richtlijn aangepast en is “grondstoffen” vervangen door “additieven”, zodat, als er marihuana wordt gebruikt als grondstof, dit verborgen blijft.
Ik heb aan het RIVM, gevraagd om onderzoek te doen naar de grondstoffen van sigaretten, waarna ik het antwoord kreeg, dat zij alleen onderzoek mochten doen in opdracht van een minister.
Toen heb ik de toenmalige minister van Volksgezondheid, Hoogevorst, gevraagd om het RIVM, onderzoek te laten doen.
Na ongeveer een jaar had ik nog geen antwoord ontvangen, waarop ik minister-president Balkende aanschreef, waarna ik wel antwoord kreeg van Hoogervorst, hij zei geen opdracht te kunnen geven aan de hand van krantenknipsels.
Terwijl die uit de belangrijkste kranten en tijdschriften kwamen, die ik als bronvermelding toegevoegd had.
Daarop heb ik minister Klink een brief gestuurd, zie bijlage, waarin overduidelijk blijkt dat de tabaksindustrie, in grote hoeveelheid marihuana verwerkt, hetgeen illegaal is, en verklaart de dwingende kracht achter de discussies voor legalisatie.
Ook deze keer kreeg ik een niets zeggend antwoord.
Omdat de discussie op de Universiteit van Tilburg, voor mij te moeilijk leek, heb ik de advocaat van de CAN, P Schepel, verzocht mijn plaats in te nemen.
Later bleek mijn bijdrage vanuit de zaal van belang: ik sprak de woordvoerder van British American Tobacco (BAT), de heer J Keulen, aan op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid, die hij in zijn videopresentatie claimde.
Hij stelde dat BAT 17% van de wereldproductie aan tabaksartikelen heeft. Waarna ik opmerkte dat 17% van de slachtoffers wereldwijd te danken is aan het product dat BAT op de markt zet.
Ik wees hem erop dat in 1950 en 1980 door de tabaksindustrie sigaretten zonder nicotine op de markt zijn gezet, maar dat ze daar ijlings mee gestopt zijn toen bleek dat het stoppen met roken hierdoor werd vergemakkelijkt.
Daarentegen hebben ze in de meest bekende merken, met ammonia, het nicotinegehalte tot 40% opgevoerd.
Ik stelde dat, indien BAT werkelijk een maatschappelijk verantwoord producent was, ze op termijn veel slachtoffers konden voorkomen door de nicotine uit de sigaretten te halen. Omdat zij dit nalaten, maakt ze naar mijn mening aansprakelijk voor dood door nalatigheid.
Omstreeks 2010 werd ik gebeld of ik een archief over het roken wilde hebben. Het bleek P. van der Lande uit Oss te zijn. Hij bracht binnen een uur het archief van (De Bierkaai). Dit was een doos met ong. 250 genummerde stukken waaruit o.m. bleek dat hij als lid van de Raad van het Bestuur van Organon de taak had om een middel te ontwikkelen om van het roken af te komen.
Doordat hij hiervoor alle artikelen die in de wetenschappelijke vakbladen verschenen over het roken toegestuurd kreeg, raakte hij erg betrokken en vormde hij samen met andere wetenschappers een groep die ze De Bierkaai noemden.
Hij bezocht in 1972 het eerste Europese niet-rokerscongres in Bad Homburg, en vertaalde de inbreng van de sprekers in het concept van het eerste CAN-bulletin, dat in 1974 verscheen. Dit is ook het jaar dat Stiviro is opgericht.
Het archief heb ik in 2013 bij Stivoro afgegeven aan Dewi Segaar en Marc Willemse. Dat het archief bij mij kwam, is waarschijnlijk te danken aan het feit dat in die tijd Wim Dijkstra burgemeester in Oss was.
Dijkstra was wethouder in Tilburg toen ik in die tijd mij ingezet heb tegen de maatschappelijke uitsluiting van mensen met longproblemen. {T O G }, en het rookvrij krijgen van het popcentrum 013
In het archief zat een brochure van de op emeritaat gaande prof. De Haas. Hij maakte daarin gewag van misleiding door de lekenpers betreffende het roken. Deze prof had een paar honderd wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan.
In 1979 heb ik een klacht ingediend bij de Reclame Raad. Het betrof de uiting van Unilever die voor het botermerk Becel stelde: 'Linolzuur is goed voor u, net als minder eten.' meer bewegen en minder roken.
Mijn argumentatie was dat eten en bewegen normale gedragingen zijn, in tegenstelling tot roken, dat de gezondheid bedreigt.
Een ander argument was: als men voor een indringend medium een stelling poneert, neemt men de beste, en dat is: niet roken.
Nadat ik de gehele procedure had doorlopen, heeft Unilever de reclame-uiting moeten stoppen en vervangen,
Samen met de eerste directeur van Stivoro, Pontvoort, en Ivo Jansen uit Rosmalen hebben wij een klacht ingediend bij de Reclame Code Commissie. Het betrof een film van Pall Mall, waarin jongelui pakjes sigaretten gooiden naar surfers die op het strand lagen.
De klacht was gericht op het verbinden van roken met sport en het gebruikmaken van kinderen in rookreclame, wat verboden was.
Nog voor de klacht behandeld werd, bleek de heer Donia van de Consumentenbond niet aanwezig te zijn. Er werd gezocht naar een vervanger, en zelfs aan mij werd verzocht om zijn plaats in te nemen, waarvan ik afzag.
De commissie bestond uit 5 man, twee uit het bedrijfsleven, en twee vertegenwoordigers van de consumenten, en een onafhankelijke voorzitter.
Deze kwam ruime tijd te laat de zaal binnen en rookte een demonstratief grote sigaar, en daardoor blijk gaf dat aan zijn onafhankelijkheid getwijfeld kon worden.
Naar de mening van de RCC waren de kinderen die de sigaretten toewierpen naar het strand inderdaad nog geen 18 jaren, maar rookten zelf niet.
Diegenen die rookten waren boven de 18 en windsurfen was geen sport, maar een vrijetijdsbesteding.
Met de heer Pontvoort waren wij van mening dat het geen zin meer had om nog een klacht in te dienen bij de RCC, en ze daardoor status te verlenen.
Op verzoek van Trudie Prins, <Stivoro>, heb ik bij het RVIM, op 30 okt. 2003, de Workshop on Tobacco Ingredients bijgewoond, en heb ik met de lunch met Jeffry Wignam aan tafel gezeten.
Met Ans Kleine uit Waalwijk heb ik veel samengewerkt, samen naar de vergadering van de CAN, en later naar de VBBA, Vereniging Belangenbehartiging Astmapatiënten. Hiervan ben ik lid van geworden, en heb er twee keer de kascontrole voor gedaan.
Toen we eens in Driebergen na de vergadering van de CAN op het station kwamen, en het erg regende, konden wij niet in de wachtruimte, omdat het er blauw zag van de rook.
Hierdoor waren we gedwongen om buiten in de regen op de trein te wachten. Ik heb toen als patiëntenbegeleider van een meervoudig gehandicapte een brief naar de NS gestuurd om hierover mijn beklag te doen.
Ook heb ik steeds met haar meegewerkt aan de opnames voor het toegankelijk maken van de bus; hiervoor is veel werk verzet.
Zij heeft zich ook ingezet, vergeefs, tegen het sigarettenmerk St. Moritz, dat had op het pakje staan, met een koninklijke aanbeveling van Prins Bernhard.
Ans heeft een zwaar en lang ziekbed gehad, waarvan zij een groot deel heeft doorgebracht in het Twee Stedenziekenhuis, op een paar honderd meter van waar ik woonde, en ik heb haar daar dikwijls bezocht.
In 2017 vroeg ik aan de gemeente Tilburg wat de voorwaarden zijn om een burgerinitiatief te beginnen.
Dit omdat ik vanaf 1983 er meerdere malen bij B&W op aangedrongen heb om de reclame voor tabakswaren te stoppen, die naar mijn mening de motor is voor een dodelijk product, met als gevolg jaarlijks 250 doden in Tilburg.
Hierop kreeg ik een antwoord, door het hele college ondertekend, dat men koos voor Puplex, in plaats van de gezondheid van de burgers te beschermen, waartoe ze wettelijk verplicht zijn.
Met het initiatief beoog ik, als een gebaar van excuus, naar het KWF Kankerbestrijding en de inwoners van de gemeente, om reclame voor het KWF of de Rookvrije Generatie uit te laten dragen op abri’s.
Dit kan door middel van de boodschap van De Rookvrije Generatie uit te laten dragen, en ook de afschrikwekkende plaatjes op de sigarettenpakjes komen hiervoor in aanmerking.
Het antwoord van mw. Hamers was: die verwees mij naar de ambtenaar die ging over Puplex.
Dit bleek mevrouw Van Lieshout te zijn, die te kennen gaf dat het initiatief een kansloze missie was, en mij doorverwees naar beleidsmedewerker Daphne van Mierlo.
Die was erg ingenomen. En zegde mij medewerking toe, en vroeg mij om materiaal voor de posters op de abri’s bij De Rookvrije Generatie te bestellen.
Ook de huisarts was enthousiast en vroeg mij om de huisartsen gemeenschap genootschap Midden-Brabant De Kring om medewerking te vragen. Het leek mij een prima idee om van zo'n organisatie steun te krijgen.
Maar de medewerking van de Kring bleef uit, volgens mijn huisarts, vanwege de consequenties die aan het burgerinitiatief verbonden zijn
Bij nader inzien wil ik niet samenwerken met een gemeentebestuur dat de intentie heeft zelf wiet te gaan telen, en de twee coffeeshops die gesloten moeten worden, te vervangen.
Volgens het Trimbos-instituut bestaat de gemiddelde joint voor 65% uit tabak, en wordt d.m.v. de coffeeshops wiet gelegaliseerd.
En legalisatie van wiet is wat de tabaksindustrie nastreeft, en blijkt uit het rapport 'Inzake Opsporing' van de commissie van Traa. Zie bijlage.
In het boek De sjoemelsigaret wordt geen enkele aandacht besteed aan het rapport <Inzake Opsporing>, van de commissie van Traa, en de richtlijn van de EU, 2001/37, die beide van groot belang zijn in het tabaksdebat.
Op 27 april 1997 heb ik samen met Fons Nijpels en Jean van de Velden, bij Barend en Witteman, met grote teksten geprotesteerd tegen het roken in hun programma.
Voor mijn 50ste verjaardag vroeg ik aan mijn zwagers om een rookvrij feest. Dat ging niet door, maar vanaf die dag is er net meer gerookt in huis.
In het Postiljon-hotel te Arnhem hebben we een jaar of vier een rookvrije avond met entertainment gehad, en dat was een groot succes. Andere vestigingen van Postiljon gaven te kennen ook te willen aansluiten.
Maar opeens was het afgelopen, en er stond een groot reclamebord voor sigaretten bij de ingang, en ook op de menukaart stond die reclame.
Wellicht was dat de oorzaak van het teloorgaan van een fantastisch gebeuren.
In 1982 waren er in Tilburg gemeenteraadsverkiezingen.
Er stond in Het Nieuwsblad Van Het Zuiden, boven een artikel met het programma van de partij PPR, de partij die het milieu hoog in het vaandel had, met een foto van de partijleider Dennis Hendriks, die een pijp rookte. Dit was voor mij aanleiding voor een ingezonden brief. Hierin schreef ik: Al rokend zichzelf en de omgeving vervuilend, op de bres voor een schoon milieu. En ik besloot met: Zonne schone hebben wij nog niet gehad.
Omdat ik vond dat als je ergens kritiek op hebt, dit maakt dat je voor een beter alternatief gaat, en besloot om lid van de PPR te worden. De eerste bijeenkomst waren 23 leden aanwezig, waarvan er 22 rookten.
Het hing een ijzige sfeer ten opzichte van mij, en toen een lid vroeg of ik bezwaar had dat hij rookte, zei ik: als je je mond maar houdt als de luchtvervuiling van de IFF aan de orde komt.
Dit had tot gevolg dat het milieu in het vervolg weinig aandacht kreeg.
We hadden een bijeenkomst met de Belgische Algalev (Anders Gaan Leven). Die partij had het niet-roken, als een belangrijk actiepunt.
Voor de bijeenkomst werd aangekondigd dat er niet gerookt mocht worden. Dit werd met groot applaus ontvangen, ook door de PPR-leden, en ik dacht dat ik het pleit gewonnen had. Maar bij de eerste bijeenkomst van de PPR werd er weer volop gerookt en ik begreep dat ik kansloos was en besloot mijn lidmaatschap op te zeggen. Later is de PPR opgegaan in Groen-Links.